← terug naar impressies

Lees de impressie als PDF

Werkplaats Natuur- en Omgevingsopstellingen, 1 november 2019

Wat doe je als natuurbeschermer met het grote verlies aan flora en fauna?

De vraagsteller is een groot natuurliefhebber die van natuurbescherming zijn werk gemaakt heeft. Het snelle verlies aan soortenrijkdom overal ter wereld pijnigt hem. Hij voelt zich er soms cynisch en apathisch over, maar wil ook optimistisch blijven. Hij vraagt zich af wat zijn plek hierin is. Kan hij er wat aan doen of moet hij het accepteren? Hij stelt representanten op voor ‘Gaia’ (de Aarde als levend organisme), voor de flora en fauna van de wereld, voor de mensheid en voor hemzelf.

De opstelling laat als beginsituatie zien dat de natuurbeschermer inderdaad zoekend is naar zijn plek. Hij gaat schuin voor de mensheid zitten, die aan een zijkant van het veld staat en wegkijkt. Zijn blik is gericht op Gaia en flora en fauna die dicht bij elkaar in het centrum staan. Gaia geeft aan veel zwaarte en boosheid te ervaren, alsof de mensheid zich tegen haar heeft gekeerd. Ze voelt zich respectloos behandeld en beroofd. De natuurbeschermer wordt daar heel triest van. Zijn kracht vloeit uit hem weg.

De mensheid draait zich nu langzaam om naar Gaia en flora en fauna, maar blijkt dat vooral te doen vanuit angst en overlevingsdrang. Ze voelt zich overweldigd door de triestheid van wat ze ziet. Een hulpbron van buiten (nieuwe representant), die beschermend vlak bij flora en fauna gaat staan, maakt duidelijk hoe noodzakelijk de bescherming daarvan is.

De natuurbeschermer ervaart echter nog steeds veel onrust. Waarop Gaia hem een ongemakkelijke waarheid voorhoudt: ‘Je helpt niemand als je jezelf niet kan helpen. Wat ik nodig heb van mensen die voor mij openstaan is rust, positiviteit en schoonheid.’ Deze woorden doen de natuurbeschermer beseffen dat hij zijn perspectief moet veranderen. ‘Ik heb mijn mening hoe Gaia gered moet worden, maar dat is mijn idee. Hoe meer ik opensta om te luisteren, hoe krachtiger ik me voel.’

Daarop komt een tweede nieuwe representant het veld in voor dat wat nodig is voor verdere verbetering van de situatie. Ze beweegt als iets ontastbaar stromends tussen alle elementen door. Dansend, licht en losmakend wat vast zit. De natuurbeschermer ervaart dit als bewustzijn. Hij gaat nu naast de mensheid staan in plaats van ervoor en merkt dat dit hem krachtiger maakt. Ook voor de mensheid voelt dat beter. Flora en fauna herstellen enigszins van het stromende, al is dat naar eigen zeggen wel ‘ingekapseld als in een reservaat’.

De vraagsteller neemt uit deze opstelling mee dat hij meer naast (het meest open deel van) de mensheid mag gaan staan in plaats van ervoor. Door meer aan te sluiten bij waar de mensen zijn, voelt hij zich minder alleen, meer verbonden. Dat houdt ook in dat hij meer open en waarderend wil zijn voor de onderstroom van energetische en intuïtieve landbouwpraktijken, rituelen en spirituele vormen die hij in de werkpraktijk tegenkomt.

De genius loci van de polder

De tweede vraagsteller is als landschapsarchitect gevraagd een toekomstvisie te ontwerpen voor een poldergebied. Vanwege bodemdaling en zeespiegelstijging voorziet de architect dat een drastische verandering nodig zal zijn in de inrichting van het gebied. Ze vraagt zich af hoe ze de bewoners mee kan krijgen in de omvorming naar meer natte vormen van landbouw en ruimte voor de natuurlijke rivierdynamiek. Ook is ze benieuwd wat de genius loci, de geest van de polder, er van vindt. Ze kiest representanten voor de polder, de bewoners, de genius loci en voor haar gebiedsvisie.

Aanvankelijk staan alle representanten naar elkaar toegekeerd, op enige afstand van elkaar. De bewoners zijn druk bezig en hebben niet echt oog voor het land dat er wat kaal en treurig bij staat. De genius loci voelt zich ingeperkt en uit balans. Wanneer er een extra representant bij komt voor het element water, verandert er direct iets. Het land wordt weer vruchtbaar, nat en modderig. Het gaat stromen, bewegen en van plek veranderen. De genius loci wordt door het water weer groot en krachtig. Ze ervaart een hele oude kracht in zich, het ’oergeheugen’ van een rivierdelta die zich niets aantrekt van menselijke grenzen. Ze blijft met klem herhalen dat ze meer vrijheid en ruimte nodig heeft, dat ze te lang opgesloten is geweest. Voor de bewoners klinkt dit bedreigend. Ze zijn er ook al eeuwenlang en vinden dit oerbeeld niet passen bij hun beeld van het gebied. Is er in zo’n visie nog wel plek voor hen?

De landschapsarchitect voelt zich bezorgd dat ze met haar gebiedsvisie de geest uit de fles heeft gelaten. Wat is er nodig om de bewoners en ook de genius loci blij te maken? De genius loci laat de bewoners weten dat het niet zo is dat ze hen niet meer duldt, maar dat ze erkenning mist. De bewoners op hun beurt vragen begrip voor hun identiteit die verbonden is met de landbouw. Wat moeten ze met een geest van zo lang geleden? Waarop de genius loci hen herinnert aan hun voorouders die als pioniers naar dit gebied gekomen zijn. Naarmate er meer mensen kwamen en meer technologie, is zij steeds meer teruggedrongen waardoor ze zich nu een gekooid dier voelt. De genius loci herhaalt dat ze de bewoners best kan dulden, maar wenst dat ze meer rekening houden met haar aard. ‘Kijk naar jullie voorouders’, vraagt ze de bewoners. ‘Daar was een weten over mij wat jullie kwijt zijn.’

Een representant voor de voorouders gaat achter de bewoners staan en deelt haar informatie. Samenwerken is haar sleutelwoord. Niet meer strijden tegen het water, maar er mee samenwerken. Weer een dynamisch landschap creëren, met een wisselwerking tussen land en water. Weer opnieuw gaan pionieren zoals de vroege voorouders. Met de moed ook om los te laten, land te durven verliezen. De boodschap om opnieuw te gaan pionieren komt aan bij de bewoners. Tegelijk wordt erkend dat er nog veel gebeuren moet. Meer partijen erbij betrekken, onderlinge geschillen uitspreken, een heel nieuw evenwicht tot stand brengen.

De landschapsarchitect heeft met deze opstelling waardevolle informatie voor haar visie gekregen. Ze realiseert zich dat ‘liefde voor de mensen net zo belangrijk is als liefde voor de natuur’. Meer ruimte geven aan het water kan alleen lukken in dialoog met de bewoners en andere partijen. Weerstand kan overwonnen worden door op het juiste moment het juiste in te brengen. De genius loci kan het begrip voor verandering wakker maken bij mensen.





Lisette van der Wel en Chrisjan Leermakers Utrecht, 1 november 2019

← terug naar impressies